Beroepscompetenties

De zeven competenties in zeven delen                                                       18 oktober 2009

  1. Journalistiek relevante onderwerpen vaststellen.

De afgestudeerde journalist:

1.1. Is nieuwsgierig, proactief en toont een grote betrokkenheid bij de actualiteit;

1.2. Is geïnteresseerd in achtergrond van en samenhang tussen maatschappelijke ontwikkelingen;

1.3. Kan vanuit een brede algemene ontwikkeling de actuele trends en ontwikkelingen analyseren en interpreteren;

1.4. Heeft kennis van trends in de journalistiek, het medialandschap en de rol van de media;

1.5. Kan gebruikmaken van eigen observaties en kennis om voor medium en doelgroep geschikte ideeën voor onderwerpen te selecteren;

1.6. Kan oriënterend researchen en de aangetroffen informatie analyseren, interpreteren en duiden;

1.7. Kan als resultaat daarvan zijn onderwerp nauwkeurig omschrijven en een globaal werkplan opstellen.

  1. Snel en gericht informatie verzamelen, selecteren en ordenen.

De afgestudeerde journalist:

2.1. Kan voldoende journalistiek relevante en betrouwbare bronnen vinden/benaderen, ook met uiteenlopende culturele achtergronden en zo nodig in de Engelse taal;

2.2. Kan een concreet researchplan voor een journalistiek product maken (rekening houdend met principes als hoor/wederhoor, check/double check) en bij medium en doelgroep passende (creatieve) invalshoeken bij een onderwerp bedenken;

2.3. Kan gebruikmaken van moderne onderzoeksmethoden en technieken (eigen onderzoek doen, enquêtes houden, e.d.);

2.4. Is op de hoogte van de werkwijze en motieven van voorlichters, pr-functionarissen, spindoctors e.d. ;

2.5. Kan probleemloos overweg met belangrijke instituties, persbureaus, naslagwerken, databanken, geavanceerde bronnen op internet, ook in het Engels;

2.6. Kan gevonden informatie (tekst, beeld, geluid en eigen waarneming) gericht en effectief samenvatten en vastleggen;

2.7. Kan uit verzamelde informatie de juiste selectie maken en deze ordenen voor een bepaald journalistieke product; voor zichzelf of voor collega’s.

  1. Informatie verwerken tot journalistieke producten voor diverse media.

De afgestudeerde journalist:

3.1. Kent de functie en werkwijze van de verschillende media en kan werken met productformules,  formats e.d. daarbinnen;

3.2. Kent ‘de taal’ van de diverse media en de effecten daarvan, en kan daarmee inspelen op publiek, doel en eventuele randvoorwaarden;

3.3. Kan zijn onderwerp verwerken  voor diverse media, in woord, beeld en geluid, met oog voor de mogelijkheden en beperkingen van het gekozen medium;

3.4. Kan variëren in stijl al naar gelang medium, doel en publiek en durft daarmee te experimenteren;

3.5. Bedient zich daarbij foutloos, doeltreffend en creatief van de Nederlandse taal, en correct in de Engelse taal;

3.6. Kan probleemloos werken met technische verwerkingshulpmiddelen;

3.7. Getuigt in zijn werk van grote nauwkeurigheid en creativiteit.

  1. Adequaat en professioneel communiceren en samenwerken.

De afgestudeerde journalist:

4.1. Beheerst de Nederlandse taal foutloos en doeltreffend en in verschillende communicatieve registers;

4.2. Beheerst de Engelse taal functioneel en voldoende om bronnen te raadplegen, gesprekken te voeren en zich schriftelijk correct uit te drukken;

4.3. Beschikt over de gespreks-, discussie- en onderhandelingsvaardigheden die nodig zijn voor de uitoefening van het journalistieke beroep;

4.4. Kan professioneel omgaan met feedback en kritiek van meerderen, collega’s en mediaconsumenten (‘communities’) en kan deze feedback ook benutten;

4.5. Kan samenwerken met, en heeft inzicht in het werk van, de verschillende personen in het journalistieke productieproces, ook in een multiculturele of internationale omgeving;

4.6. Weet zichzelf of een idee voor een journalistiek product overtuigend (mondeling) te presenteren;

4.7. Heeft een relevant netwerk opgebouwd en onderhoudt dat/breidt dat steeds uit.

  1. Bedrijfsmatig denken en werken.

De afgestudeerde journalist:

5.1. Is zelfstandig, resultaatgericht en werkt strikt op deadline;

5.2. Kan een realistische planning maken, met zowel ambitieuze als haalbare doelen voor zichzelf en anderen;

5.3. Kan werken met een combinatie van taken, kan daarbij instructie en leiding geven bij eenvoudige projecten en accepteert zelf ook leiding;

5.4. Kent de commerciële basis van het journalistieke bedrijf en is zich bewust van de effecten daarvan op het journalistieke product;

5.5. Heeft een gedegen kennis van het beroepenveld en de (veranderende) rol van de verschillende media daarbinnen;

5.6. Kent de organisatie- en overlegstructuren in journalistieke bedrijven en de positie van journalisten als werknemer daarin;

5.7. Is in staat een eigen bedrijf op te zetten, met inzicht in de daarbij horende aspecten van marketing, acquisitie, relatiebeheer en financiën.

  1. Een ethisch-kritisch oordeel formuleren over journalistieke producten en de beroepspraktijk.

De afgestudeerde journalist:

6.1. Kent de kwaliteitsnormen en ethische principes die betrekking hebben op de journalistiek en streeft er altijd naar volgens die normen en principes te werken;

6.2. Is zich bewust van het spanningsveld tussen journalistieke kwaliteitsnormen en commerciële waarden en kan daarmee omgaan;

6.3. Kan zich onafhankelijk een mening vormen over journalistieke producten of de werkwijze van anderen en kan die mening beargumenteren;

6.4. Heeft een standpunt in ethische kwesties en ontwikkelingen binnen de journalistiek en kan dat standpunt schriftelijk motiveren (in een opiniërend artikel);

6.5. Kan een scherpe analyse maken van de rol die de journalistiek in belangrijke maatschappelijke kwesties speelt;

6.6. Heeft een visie op de toekomst van de journalistiek en kan die onder woorden brengen;

6.7. Is zich te allen tijde scherp bewust van het grote belang van eigen en origineel werk.

  1. Reflecteren op (en bijsturen van) de eigen ontwikkeling als professional.

De afgestudeerde journalist:

7.1. Kan kritisch kijken naar het eigen leer- en werkgedrag (al dan niet in breder verband), kan daaruit conclusies trekken en kan vervolgens het eigen gedrag verbeteren;

7.2. Kan verantwoording afleggen over de efficiency en effectiviteit van het eigen professioneel handelen;

7.3. Kan en wil verantwoording nemen voor de eigen keuzes en kan deze keuzes ook kritisch beoordelen;

7.4. Kan eigen journalistieke producten kritisch beoordelen en kan daarin zo nodig (en binnen de deadline) wijzigingen aanbrengen;

7.5. Kan doelen formuleren voor de aanhoudende eigen professionele beroepsontwikkeling en deze doelen ook realiseren of bijstellen;

7.6. Kan professionele (ethische) waarden en normen integreren in de beoordeling van het eigen functioneren en legt daarvoor zo nodig ook verantwoording af;

7.7. Is zich terdege bewust van zijn eigen ‘Unique Selling Point’ en weet dit adequaat op anderen over te brengen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *